Albert Uderzo
Geboren in 1927 ( 25 april) in Italië, verhuisde op zeer jonge
leeftijd naar Frankrijk. Na zijn lagere schooltijd is hij al zo
bezeten van tekenen en tekenfilms dat hij in 1940 naar het blad
Junior toestapt en daar gedurende een jaar een soort opleiding volgt
in het schilderen met waterverf, maar ook in spelling en stijl. Door
de oorlogsomstandigheden trekt hij in 1941 naar Bretagne en werkt hij
daar als boerenknecht en later bij zijn vader als meubelmaker.
Tekenen is hij vergeten tot hij in 1945, tegen de zin van zijn vader,
meedoet aan een wedstrijd voor striptekenaars van Editions du
Chêne en in 1946 publiceerde deze uitgeverij zijn eerste
professionele strip Les aventures de Clopinard.
In diezelfde tijd geneest hij van zijn tekenfilmaspiraties door als
animator werkzaam te zijn aan de tekenfilm Clic-Clac (1945-46). Hij
woont inmiddels in Parijs en wordt een van de eerste tekenaars in
1946 van het blad O.K. Uit die periode dateren Arys Buck
(1946-47), een serie rond een onoverwinneleijke Galliër en zo
misschien de voorloper van Asterix, Price Rollin (1947), de
zoon van Arys Buck, en Belloy I'Invulnerable (1947-48).
Na opheffing van O.K. in het begin van de vijftiger jaren tekent
UDerzo voor het blad Bravo naar het Amerikaanse voorbeeld Captaine
Marcel Junior en werkt hij in 1950-51 als verslaggevertekenaar
voor de kranten France-Dimanche en France-Soir.
In 1955 vindt de historische ontmoeting plaats bij International
Press met de net uit de Verenigde Staten terugkerende René
Goscinny. Hun samenwerking begint met de strip Luc Junior
in La Libre Junior (tot 1957). Al in die tijd ontwerpen ze speciaal
voor Amerika de strip Hoempa Pa rond een indiaan, die met zijn
oude tradities in het moderne Amerika optreedt, maar Dupuis ziet
niets in zo'n reeks. Intussen start Uderzo (met Charlier) een nieuwe
serie Belloy-verhalen in Pistollin (1955-58), later in La Libre
Junior en in Sprint verschijnt van hem Ton en Nelly (1955-56).
De tweede strip met Goscinny als scenaris wordt Benjamin et Bejamine
(1958) onder andere in Top-Magazine. Intussen zijn Uderzo en Goscinny
bij Dupuis weggegaan en komt Uderzo via reclamestrips en een paar
korte verhaaltjes als Bolleke en Snolleke in 1957 terecht bij het
weekblad Kuifje. Met zijn vaste compagnon begint hij in 1958 daarin
dan eindelijk de reeks Hoempa Pa, maar nu met een wat andere basis
zodat het verhaal speelt tijdens de kolonisatie van Amerika. Van deze
reeks verschijnen tot 1962 een vijftal episodes. Intussen raakt
Uderzo vai Goscinny betrokken bij het in 1959 opgerichte blad Pilote,
waarvoor hij met scenario's van Charlier de vervolgreeks Tanguy en Laverdure
gaat tekenen. Met deze vliegtuigstrip in realistische stijl voelt
Uderzo zich op den duur toch niet zo gelukkig; de vliegtuigen hebben
zijn interesse wel, maar de tekenstijl sluit niet aan bij zijn
karikaturale aspiraties en na pogingen met verschillende andere
tekenaars, zoals Gir, wordt de strip vanaf 1966 door Jijé
voortgezet. Met verwaarlozing van een niet gering aantal incidentele
publicaties zijn we hiermee eindelijk beland bij de avonturen van
Asterix de Galliër, waarvan de eerste aflevering op 29 oktober
1959 in Pilote verschijnt. Deze strip, die een doorbraak in de
waardering voor het beeldverhaal betekende en een heel nieuw public
aanboorde, verschijnt in 1961 voor het eerst in album vorm en vanaf
die tijd groeit het succes, dat Uderzo al spoedig dwingt andere
reeksen op te geven.
